De erfenis van Mathieu Kessels:
Hoe één Tilburgse pionier een muzikale industrie aanwakkerde
Mathijs Joseph Hubert (Mathieu) Kessels werd in 1858 in Heerlen geboren. Samen met zijn twee jaar oudere broer Jos speelde hij al op jonge leeftijd ‘harmonietje’. Beide broers bleken zeer talentvol en kregen beiden al vroeg muziekles. Zo stonden ze al op jonge leeftijd als dirigent voor harmonieën en zangkoren. In 1880 begonnen ze samen een muziekuitgeverij en -drukkerij. Mathieu ontwikkelde zich tot een veelzijdig musicus: hij schreef en gaf zelf lesmethodes uit voor bijna alle harmonie- en fanfare-instrumenten, en publiceerde muziekbladen voor harmonieën en koren. Zijn belangrijkste uitgave was ‘De Muziekbode’, een tweewekelijks (later wekelijks) blad dat uitgroeide tot een landelijke spreekbuis voor de muziekwereld. Het blad bevatte nieuws over componisten, instrumenten, concertagenda’s, recensies en belangrijke benoemingen binnen orkesten wereldwijd, en telde uiteindelijk zo’n 4.500 abonnees.
In 1885 kwam broer Jos naar Tilburg om dirigent te worden van de Nieuwe Koninklijke Harmonie. Hij nodigde Mathieu uit om hun uitgevers- en handelsactiviteiten van Heerlen naar Tilburg te verplaatsen, vanwege het grote potentieel en het gebrek aan concurrentie. Na zijn huwelijk met Maria Crijns in mei 1885 verhuisde Mathieu in 1886 naar Tilburg. Ook zijn ouders trokken mee; zijn vader ging later in de fabriek van zijn zoon werken als hoofd expeditie.
Toen Jos in 1886 vertrok voor een carrière als musicus en dirigent in El Salvador, volgde Mathieu hem op als dirigent van de Nieuwe Koninklijke Harmonie. Die functie bracht hem regelmatig in aanraking met ’te repareren instrumenten’. Het toeval bracht hem in contact met twee Saksische instrumentenmakers, die hij in dienst nam en onderdak bood. Dit kleine groepje vormde het prille begin van een ‘reparatieafdeling’ die in 1897 zou uitgroeien tot 62 medewerkers – veelal buitenlandse technici. Vanwege ruimtegebrek verhuisde de afdeling meermaals, tot in 1898 een groot gebouw werd betrokken in de Industriestraat, het huidige Spoorpark. De fabriek “M.J.H. Kessels, Tilburg” groeide uit tot een multinational met meer dan 280 werknemers.
Kessels was een innovatieve fabrikant met een groot sociaal hart en vooruitstrevende arbeidsomstandigheden voor die tijd. De fabriek had een eigen orkest en was een voorloper in arbeidsintegratie. Hij was een van de eerste ondernemers in Nederland die vóór 1900 actief buitenlands talent aantrok – met name Poolse, Tsjechische (toen Bohemen) en Saksische vaklieden – en voor hen ook huisvesting verzorgde. Hun expertise was vaak cruciaal voor het succes. Door uitwisseling van ervaring, interne opleiding, moderne werkmethoden en liefde voor het vak werden generaties topinstrumentenbouwers opgeleid, wiens invloed tot op de dag van vandaag voelbaar is.
De onderneming kwam ten val door het faillissement van Kessels’ Bank, waarbij hij gedwongen werd een vennoot aan te nemen. Een desastreuze, onbetaalde bestelling van 900 piano’s in Liverpool leidde in 1914 tot de sluiting. Mathieu liet zich niet kennen en begon in 1915 een nieuwe fabriek: de NV Nederlandse Fabriek van Muziekinstrumenten KONEFA. Deze onderneming bleef bestaan tot 1939, zeven jaar na zijn overlijden in 1932.
Een kweekvijver voor ondernemerschap
De grootste en blijvende impact van Mathieu Kessels lag in zijn rol als kweekvijver voor talent. Vakmensen die bij hem hun opleiding kregen, gingen vaak zelfstandig verder en vormden in samenwerking met zijn bedrijf toeleverings- of afnamebedrijven. Hiermee legde hij de basis voor de Nederlandse muziekinstrumentenindustrie. Hij was een pionier in het aantrekken en ontwikkelen van internationaal vakmanschap.
Uit onderzoek zijn zes ondernemers naar voren gekomen die hun wortels hebben in de fabriek van Kessels:
Johann Ludwig Birker
Deze koperblazerfabrikant kwam in 1899 vanuit Wattenscheid (Duitsland) naar Tilburg. Halverwege de jaren twintig startte hij zijn eigen fabriek in de Mariastraat, later verhuisd naar de Langestraat 42-44. Zijn zoon Henricus trad toe en het bedrijf bleef bestaan tot 1973.
Janus Peeters
Het familiebedrijf groeide uit tot de Peeters Muziekinstrumentenfabriek aan de Molenstraat (1920-2018). Vanaf 1955 ging het bedrijf, op initiatief van zoon Ad, verder onder de naam ‘Muziekinstrumentenfabriek SoundKing’.
Johannes (Jan) van Gorp
Het vijfde kind van Franciscus van Gorp en Johanna Spierings kwam in 1899 als veertienjarige bij Kessels werken. Na zijn tijd daar werkte hij zijn hele leven, tot zijn dood in 1955, als zelfstandig vioolbouwer. Zijn oudste zoon Frans volgde hem in dit vak.
Wenzl Rossmeisl
Geboren in Graslitz, Bohemen (nu Tsjechië), een regio met tientallen instrumentenfabrieken en hoog vakmanschap. Hij volgde daar een opleiding aan de keizerlijke vakschool. Rond 1900 werkte hij bij Kessels, waar hij ook zelf instrumenten begon te maken. In 1922 startte hij voor zichzelf en groeide hij uit tot een belangrijke fabriek met honderden medewerkers en een productie van ongeveer 300.000 instrumenten. Met zijn zoon Franz runde hij het ‘Muziekhuis Rossmeisl & Zoon’. De zaak bleef bestaan tot in de jaren tachtig.
Jan Passier
Zijn vader werkte als instrumentenmaker bij Kessels. Na het faillissement van KONEFA in 1939 kreeg zoon Jan werkbanken en halffabricaten in ruil voor achterstallig salaris. Op 2 januari 1940 startte hij een kleine fabriek en winkel in de Groeseindstraat. Na zijn overlijden in 1971 nam zoon Bert de zaak over. Vanwege concurrentie uit lagelonenlanden verschoof de focus naar verkoop, reparatie en taxatie. Dochter Eveline zette zich in voor de oprichting van een muziekinstrumentenmuseum, dat uiteindelijk in het Kessels Museum terechtkwam.
Atelier Pfeiffer
Een van de oudste nog bestaande muziekwinkels van Nederland (ruim 95 jaar), opgericht in 1928 door de Oostenrijkse immigrant Josef Pfeiffer. Zijn zoon Ruud zette het atelier voort en bouwde het uit tot wat het nu is. De continuïteit is verzekerd door vaklieden als Marcel Schot en Heiko Ebner, die het vak daar leerden en het stokje overnamen.
De uitstraling van Mathieu Kessels gaat dus veel verder dan anekdotes. Hij was de katalysator voor een hele industrie, en zijn erfenis leeft voort in de vele bedrijven en het vakmanschap die hij heeft geïnspireerd en mogelijk gemaakt.
